En de dichter vloog
Zoals hij zichzelf had geschapen
Met penvingers en bevlogen gedachten
Lokkend en verleidend, fluitend en
Afschuwelijk krijsend. Zijn klauwen
Open, ogen hard geel gericht. Snavel
Als dodelijk wapen, geest naar prooi.
De bloedvogel broedt in stoffige
Kantoren, op romantische zolders, in
Slaperige cafxe9s, op toiletten en in
Bedronken nevels van nachtelijke uren.
Maar ook overdag in stadscentra, tussen
Bouwkranen, op markten en lallend op
Plaatsen met veel feestgedruis. Onder de
Brandende zon of in flarden mist, zelfs
Regen houdt de bevlogen dichter niet tegen.
De bevlogen dichter eet stof van de straat,
Leed van kinderen, wanhoop van ziekte,
Overspel van volwassenen, ja zelfs politiek
Schranst hij de ratelende leeghoofdigheid.
En u, kunt u de bevlogen dichter verwachten?
_________________________________________________
Uw oog
Gedichten zijn als vogels van allerlei
Pluimage, maar hoedt u voor een veel
Voorkomende spreeuwachtige soort.
O ja, ze kunnen fraai dansen in de lucht
En duiken dan gestaag het riet in waar
Ze nog volop verder kwebbelen.
Toch, daar waarschuw ik u nier voor!
Nee, kijk nooit verwonderd te lang
Omhoog als ze over uw hoofd vliegen.
Want er is er altijd eentje bij die u
Zeker raakt met zijn ongebluste kalk,
Precies in uw oog.
______________________________________________
Mooi gedroomd
Muziek gemaakt met een groepje Ieren,
Hun Dublin geprezen als stad van Grandeur,
Naar hun grappige driemanvoorstelling gekeken,
Hun vrouwen bewonderd. Zij mijn mandolinespel.
Ook mooi gedroomd, de poxebzie die ik schreef,
In woorden met de strekking: je moet de tijd
Laten bezinken van zwart naar grijs, bruin en
Groen naar blauw en haal uit de transformatie
De eerste stukken ochtenddauw, geplukt voor jouw.
De laatste beelden golden een zilvergroen
Plantendek waarop ik met heel fijne spetters
Hel geel in knoppen aangaf, ook de mooie
Kleur van bloeiend leverkruid spatte van mijn
Hand in een klein wit bed op, de verf was nog nat.
____________________________________________